|
                       
Standaard
                       
De
nieuwe standaard is sinds 23.01.2009 geaccepteerd door de FCI.
FCI-Standaard N° 176
PICARDISCHE HERDER
(Berger
de Picardie)
VERTALING
: Jos Dekker, d.d. 02.05.2010.
ORIGINE : Frankrijk.
DATUM
PUBLICATIE HUIDIG GELDIGE STANDAARD : 04.11.2008.
GEBRUIK : Herder en waker.
KLASSIFICATIE F.C.I. : Groep 1 Herders en veedrijvers (m.u.v. de
Zwitserse Veedrijvende honden).
Sectie
1 Herdershonden.
Met
werkproef
KORT HISTORISCH OVERZICHT : De Picardische herder zijn
oorsprong is heel oud. Uiteraard is het niet duidelijk of de Picardische Herder
zijn oorsprong beperkt tot Picardië: het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk
dat het gebied een stuk groter is. Ruwharige herders en veedrijvers zijn
typisch voor heel Noordwest-Europa.
In 1863
werden de eerste Picards op de tentoonstelling gekeurd in dezelfde klas als de
Beauçerons en de Briards.
In 1898
was men overtuigd dat het een Picardisch ras was.
In 1922
werd de eerste standaard opgesteld door Paul Megnin. Het ras werd definitief
erkend in 1925.
Tot de
Tweede Wereldoorlog werd her ras wat verwaarloosd daarna trok het liefhebbers
die in Picardië op zoek gingen naar de meest typische exemplaren voor de fok.
Na vele
jaren, waarin de Rasvereniging moeite heeft om erkenning te krijgen, richtte de
heer Robert Moutenot, een prominent kynoloog, in 1955 de club “Les Amis Du
Berger Picard” op. De club wordt definitief erkend in 1959 en een nieuwe
rasstandaard, goedgekeurd door de S.C.C in 1964.
De huidige
standaard is opgesteld door Dhr. J.C. Larive, voorzitter van de vereniging en
zijn commissie met behulp van Dhr. R. Triquet.
ALGEMEEN
BEELD : de Picardische Herder is een middelgrote hond. Hij is
sterk, rustiek, goed gespierd en gebouwd, zonder plompheid. Hij is zeer elegant
zowel in stand als beweging. Zijn levendige en alerte expressie worden
gekarakteriseerd door zijn griffonachtig uiterlijk.
BELANGRIJKE
VERHOUDINGEN : De Picardische Herder is een middelgrootte
hond. De lengte van de punt van de schouder tot het zitbeen is iets langer dan
de schofthoogte (in een verhouding van 5: 8) teven zijn over het algemeen iets
langer dan de reuen.
De schedel en voorsnuit zijn gelijk van lengte.
De afstand van elleboog tot de grond is gelijk aan de
helft van de schofthoogte.
GEDRAG
/ KARAKTER : De Picardische Herder is een evenwichtige hond. Hij is
noch agressief noch timide noch angstig. Hij moet zowel wijs als moedig zijn.
Dit maakt hem mogelijk zijn werk als waker en hoeder van de kudde met gemak te
doen, hij is ook een zeer goede bewaker van het huis, een uitstekende
gezinshond en kindervriend.
HOOFD: Zonder
massief te zijn in goede verhouding tot zijn grootte. Fijn besneden, zonder de
indruk te wekken puntig te zijn. In profiel de schedel en voorsnuit parallel.
Het type wordt gegeven door het griffonachtige uiterlijk, dat wil zeggen goed
aangegeven wenkbrauwen (ongeveer 4 centimeter dat de ogen niet mag bedekken),
baard en snor.
Schedel : Van voor gezien niet plat
maar licht gebogen met een lichte middengroef. De stop is iets aanwezig en in
het midden van de achterhoofdsknobbel en neuspunt.
VOORSNUIT GEDEELTE :
Neus : Goed ontwikkeld. Altijd zwart. Neusgaten goed
open.
Voorsnuit : Krachtig en niet te lang.
Niet eindigend in een punt. De neusrug is recht. Lichte snor en baard aanwezig.
Wangen : Vertonen een zekere ronding.
Lippen : Droog en goed aangesloten.
Kaken/Gebit : De kaken krachtig. De beet
is scharend. Het gebit moet volledig zijn.
Ogen : Horizontaal, middelgroot, ovaal, niet prominent.
Donker van kleur (de kleur kan wat lichter of donkerder zijn afhankelijk van de
vachtkleur maar nooit lichter dan hazelnootkleurig).
Oren : Middelgroot, breed aan de basis, hoog aangezet,
van nature rechtop staand, de oortoppen licht gerond. Afwijkende dracht wordt getolereerd maar niet gewenst.
HALS : Sterk
en gespierd, van goede lengte, goed uit de schouders komend, voor een trots
gedragen hoofd.
LICHAAM : Bot
stevig zonder overdrijving en de spieren droog.
Borst : Diep, maar niet tot onder de ellebogen. De
correcte omtrek direct achter de elleboog gemeten, overschrijdt de schofthoogte
met 1/5. Het bovenste gedeelte van de ribben zijn goed gewelfd waarna ze
geleidelijk afvlakken richting borstbeen.
Rug : Recht.
Lendenen : Stevig.
Croupe : Iets schuin geleidelijk
overgaand in de bil.
Onderbelijning : Licht opgetrokken.
STAART : Lang.
In rust tot aan de hak reikend en met een lichte kromming aan het uiteinde. In
actie, komt de staart iets omhoog zonder over de rug te worden gedragen. De
beharing aan de staart even lang als op het lichaam.
LEDEMATEN
VOORHAND : Goed recht van voor en opzij
gezien.
Schouders : Lang en schuin.
Ellebogen : Goed aangesloten.
Bovenarm : Recht en goed gespierd.
Middenhand (Pols) : Licht hellend van opzij.
Voeten : Rond, kort en compact.
ACHTERHAND : Goed parallel van achteren
en goed recht van opzij.
Dij : Lang en goed gespierd.
Knie (stevig) : Sterk gehoekt.
Spronggewricht : Matig gehoekt, te nauw noch
te wijd.
Hak : Recht op de grond.
Voeten: Rond, kort en compact. Geen wolfsklauw
of extra tenen. Zolen stevig. Donker gekleurde nagels.
GANGWERK : Soepel en vrij, geeft de indruk van
elegantie en moeiteloosheid. Gemiddeld uitgrijpend voor, de benen goed
parallel.
VACHT
HAAR : Hard, halflang. Het moet knisperen tussen de
vingers. Ongeveer 5-6
centimeter lang over het gehele lichaam inclusief de
staart. De ondervacht fijn en dicht.
KLEUR : Fauve, fauve charbonné, gestroomd, grijstinten
meestal donker. Geen grote witte aftekeningen (een kleine witte vlek op de
borst en de punten van de tenen is toegestaan).
GROOTTE
EN GEWICHT :
Schofthoogte : met
een tolerantie van 1 cm
naar boven en beneden.
Reuen 60 tot 65 cm
Teven 55 tot 60 cm
FOUTEN: Elke afwijking van het
voorgaande moet worden gezien als een fout en de zwaarte ervan moet in
verhouding staan tot de ernst en het effect daarvan op de gezondheid en het
welzijn van de hond.
ERNSTIGE FOUTEN:
*Missen
van elementen anders dan PM4 in de onderkaak (PM 1 niet in aanmerking genomen).
*Omgekeerd
scharend mits de snijtanden elkaar raken.
*Zeer
lichte ogen.
*Staart
over de rug gekruld of te kort.
*Haar
neiging tot krullen. Haar te vlak, korter dan 4 cm of langer 7 cm. Beharing zacht of
wollig.
*Belangrijke
beenfouten: met name gebrekkige achterhand, buitensporige franse stand,
koehakkigheid.
DISKWALIFICERENDE
FOUTEN :
*Agressief of schuw.
*Gebrek aan type.
*Boven- of ondervoorbijten zonder dat de snijtanden
elkaar raken.
*Ontbreken
van 2 PM4 of meer dan 2 elementen anders dan PM4 (PM1’s niet in aanmerking genomen).
*Blauwe
ogen of te licht neigend naar geel.
*Niet
van nature staande oren.
*Staart:
kort of afwezig.
*Kleur:
zwart, wit, harlekijn, bont; te veel wit op de borst, volledig witte voeten.
*Wit,
witte aftekeningen anders dan aangegeven.
*Grootte
buiten de standaardgrenzen (met inbegrip van de tolerantie). Afmetingen van 67
voor reuen en 62 voor teven wordt getolereerd alleen voor dieren van hoge
kwaliteit.
Elke hond die duidelijke fysieke-
of gedragsabnormaliteiten vertoont zal worden gediskwalificeerd.
N.B.:
Reuen dienen twee duidelijke
volledig in het scrotum
ingedaalde normale testikels
te hebben.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Standard FCI N° 176
/ 23.01.2009 / F
BERGER DE PICARDIE (Berger
picard)

ORIGINE : France.
DATE DE PUBLICATION DU
STANDARD D'ORIGINE EN VIGUEUR : 04.11.2008.
UTILISATION : Chien de Berger et de garde.
CLASSIFICATION F.C.I:
Groupe 1 Chien de berger et de
bouvier (sauf chiens de bouviers suisses).
Section 1 Chien de Berger. Avec
épreuve de travail.
BREF APERCU HISTORIQUE : Le berger Picard a des origines très anciennes. Bien entendu, il n'est pas certain que le berger picard soit
strictement originaire de la
Picardie : il est possible, sinon probable qu'il y ait eu une
aire de dispersion beaucoup plus large, les bergers et bouviers à poil dur
étant typiques dans toute l'Europe du Nord-Ouest.En 1863 les premiers Picards furent jugés en exposition dans la même
classe que les Beaucerons et les Briards. En 1898 on acquiert la certitude d'une race picarde. En 1922 un premier standard est élaboré par Paul MEGNIN. La race sera
définitivement reconnue en 1925.Jusqu'à la seconde guerre mondiale, la race végète quelque peu et ce
n'est qu'ensuite que des amateurs Voulant la relancer, recherchent en Picardie, sur le terrain, les
éléments les mieux typés pour les faire reproduire. Après de longues années où le Club de Race a des difficultés pour
obtenir son affiliation, Monsieur Robert MONTENOT, éminent cynophile, crée le
Club « LES AMIS DU BERGER PICARD » en 1955. Le Club sera
définitivement affilié en 1959 et un nouveau standard de la race, approuvé
parla S.C.C. en 1964.
Le standard actuel a été rédigé par M. J.C. LARIVE, Président du Club
et son comité avec la collaboration de M. R. TRIQUET.
ASPECT GENERAL : Le Berger Picard est un chien de taille moyenne. Il
est solide, rustique, bien musclé et charpenté sans jamais être lourd. Il reste
très élégant tant en statique qu'en mouvement. Son expression vive et éveillée
est caractérisée par son aspect griffonné.
PROPORTIONS IMPORTANTES: Le Berger Picard est un chien médioligne. La longueur du corps de la pointe
de l'épaule à la pointe de la fesse doit être légèrement supérieure à la
hauteur au garrot (dans une proportion de 5 à 8%). Les femelles sont
généralement un peu plus longues que les mâles. Le crâne et le museau sont de même longueur. La distance du coude au sol est égale à la moitié de la hauteur au
garrot.
COMPORTEMENT/CARACTERE : Le Berger Picard est un chien équilibré. Il
n'est ni agressif, ni peureux, ni inquiet. Il doit être à la fois sage et
hardi. Cela lui permet d'accomplir facilement son travail qui consiste à
conduire et garder des troupeaux d'ovins. C'est aussi un très bon gardien de la
maison et un excellent chien de famille où il aime vivre en étroite compagnie
avec les enfants.
TETE : Sans
être massive, elle doit être proportionnée à la taille. Finement ciselée, elle ne doit pas donner l'impression d'être pointue. Vues de profil, les lignes du crâne et du chanfrein sont parallèles. Le type est donné par l'aspect griffonné, c'est à dire des sourcils
bien marqués (poil d'environ 4
cm qui ne doit pas voiler les yeux), ainsi que barbiche
et moustaches.
REGION CRANIENNE : Vu de face, le front ne doit pas être plat mais légèrement voûté, avec
une dépression minime en son milieu. Le stop est peu apparent; il se
situe à égale distance de l'occiput et de l'extrémité du museau.
REGION FACIALE :
Truffe
: Bien développée. Toujours noire, narines bien ouvertes
Museau
: Fort et pas trop long. Ne doit passe terminer en pointe. Le chanfrein est
droit. Présence de légères moustaches et barbiche.
Joues:
Doivent présenter une certaine rondeur.
Lèvres
: Sèches et bien jointives.
Dents
: Mâchoires puissantes. L'articulé est en ciseaux. La denture doit être
complète.
Yeux
: Horizontaux, de grandeur moyenne, ovales, non proéminents, de couleur sombre
(la coloration peut être plus ou moins foncée en fonction de celle de la robe,
mais jamais plus claire que la teinte noisette).
Oreilles : De grandeur moyenne, larges à la base, attachées haut, toujours
portées droites naturellement, les pointes légèrement arrondies. Le port
divergent est toléré, mais non recherché.
COU : Fort et musclé, de bonne longueur, bien dégagé des épaules, permettant
de porte la tête fièrement.
CORPS : L'ossature est solide sans exagération et la
musculature sèche.
Poitrine : Atteint mais ne descend pas plus bas que le coude. Un périmètre
thoracique correct pris immédiatement derrière les coudes est supérieur à la
hauteur au garrot d’1/5ème environ. Les côtes sont bien arquées à
leur niveau supérieur puis s'aplatissent progressivement jusqu'au sternum'
Dos
: Droit.
Rein
: Solide.
Croupe:
Légèrement inclinée se fond progressivement avec les fesses.
Ventre
: Légèrement relevé.
OUEUE : Entière. Au repos, elle doit atteindre la pointe du jarret et présenter une
légère courbure à son extrémité. En action, le fouet peut être plus relevé sans jamais être porté au
dessus du dos. Le poil sur la queue est de la même
longueur que sur le corps.
MEMBRES
MEMBRES ANTERIEURS : Bien d'aplomb vus de face et de profil.
Epaules
: Longues et obliques.
Coudes
: Bien au corps.
Avant-bras : Droits et bien musclés
Métacarpes : Légèrement inclinés d'arrière en avant.
Pieds
: Arrondis, courts et compacts.
MEMBRES POSTERIEURS : Bien parallèles vus de derrière et bien
d'aplomb vus de profil.
Cuisse
: Longue et bien musclée.
Genou
(grasset): Articulation forte.
Jarret
: Moyennement coudé, ni trop ouvert ni trop fermé.
Métatarses : Perpendiculaires au sol.
Pieds
: Arrondis, courts et compacts. Ni ergots, ni doigts supplémentaires.
Coussinets fermes. Ongles de couleur sombres.
ALLURES : Souples et dégagées. Donnent à la fois une
impression d'élégance et de facilité. Extension moyenne des antérieurs, les
membres restant bien parallèles.
ROBE
POIL : Dur, demi-long. Il doit crisser sous les doigts.
Longueur de 5 à 6 cm
sur tout le corps y compris la queue.
Sous poil fin et serré.
COULEUR:
Fauve, fauve charbonné, fauve bringé, gris restant en général foncé-Pas
de grande tache blanche (une légère tache blanche est tolérée à la poitrine et
à l'extrémité des pieds).
TAILLE :
Au garrot: Mâles = 60 à 65 cm
Femelles =
55 à 60 cm (tolérance 1 cm en plus ou en moins)
DEFAUTS : Tout
écart par rapport à ce qui précède doit être considéré comme un défaut qui sera
pénalisé en fonction de sa gravité et de ses conséquences sur la santé et le
bien-être du chien.
DEFAUTS GRAVES :
- Absence de 2
dents autres que les PM 4 de la mâchoire inférieure (les PM I ne sont pas
prises en considération)
- Articulé
inversé sans perte de contact des incisives.
- Yeux très
clairs.
- Queue
enroulée sur le dos ou exagérément courte.
- Poil ayant
tendance à friser. Poil trop plat, de moins de4 cm ou plus de 7 cm. Poil mou ou
laineux.
- Défauts
d'aplomb importants : en particulier arrière main défectueux, panardise
excessive, jarret de vache.
DEFAUTS ELIMINATOIRES :
- Chien
agressif ou peureux.
- Manque de
type
- Prognathisme
supérieur ou inferieur avec perte de contact des incisives.
- Absence de 2
PM 4 ou plus de 2 dents autres que PM 4 (les PM I ne sont pas prises en
compte).
- Yeux vairons
ou trop clairs tirant sur le jaune.
- Oreilles non
portées droites naturellement.
- Queue:
rudimentaire ou absente.
- Couleur:
robe noire, blanche, arlequin, pie ; blanc trop étendu au poitrail , pieds
entièrement
- Blancs,
blanc dans la robe ailleurs qu'aux endroits indiqués ci dessus.
- Taille
sortant des limites du standard (y compris la tolérance). Les tailles de 67 pour les mâles et de
62 pour les femelles ne peuvent être tolérées que pour les sujets de
grande qualité.
Tout chien présentant de façon évidente des anomalies d'ordre physique
ou comportemental sera disqualifié.
N.B. :
Les mâles doivent avoir deux testicules d'aspect normal complètement descendus
dans le scrotum.
Standaard FCI N° 176 / 31.10.1964
PICARDISCHE HERDERSHOND

VERTALING :
Picardische Herdershonden Club Nederland:
overgenomen
uit een oud clubreglementen boekje uit het jaar 1995.
OORSPRONG :
Frankrijk.
Algemene kenmerken
Een middelgrote
hond met een eenvoudig doch elegant voorkomen, sterk, goed gebouwd en gespierd,
met een intelligente en levendige gelaatsuitdrukking, vrolijk gekenmerkt door
zijn griffonachtige uiterlijk.
Grootte
Reuen van 60-65 cm en teven van 55-60 cm schofthoogte.
Fout: tot 2 cm boven het maximum.
Diskwalificatie: beneden het minimum, ook in de jeugdklasse en
meer dan 2 cm boven de maximum schofthoogte.
Hoofd
Zonder massief te
zijn goed in verhouding tot de grootte van het lichaam. Zeer lichte stop op
gelijke afstand van neusaanzet en achterhoofdknobbel, schedel tamelijk breed
zonder overdrijving. Beharing ongeveer 4 cm lang; wenkbrauwen goed zichtbaar, in geen
geval de ogen bedekkend.
Fout: te
uitgesproken of te geringe stop, beharing te kort of te lang, geen of
nadrukkelijk aanwezige wenkbrauwen.
Diskwalificatie:
gemis aan type, onevenredig, geen of te overvloedig garnituur.
Voorhoofd
Moet van voren
gezien niet vlak zijn, maar licht gewelfd met een lichte middengroef.
Fout: onvoldoende
of te sterk gewelfde schedel, middengroef te duidelijk zichtbaar.
Diskwalificatie:
vlakke of bolle schedel, terugwijkende of tot boven de ogen doorlopende
schedel.
Wangen
Mogen niet te
zwaar ontwikkeld zijn, maar moeten, zonder vlak te zijn, een zekere ronding
vertonen. Het haar achter op de wangen (langs de kaaklijn) even lang als op het
lichaam.
Fout: te sterk
gespierde wangen, slap of onbespierd.
Voorsnuit
Krachtig, niet te
lang en niet puntig eindigend. Neusspiegel altijd zwart; strakke en goed
gesloten lippen; rechte neusrug; geringe snor en sik.
Fouten: te lange,
dunne of zware voorsnuit; puntig of te vierkant eindigend; kleine of gevlekte
neusspiegel; dikke mondhoeken en lippen; een gebogen neusrug; gemis aan baard
en snor (men dient er rekening mee te houden dat het haar op het hoofd ongeveer
4 cm lang behoort te zijn en dat snor en sik goed zichtbaar moeten zijn).
Diskwalificatie:
voorsnuit niet in verhouding tot de schedel; overhangende bovenlippen en
uitzakkende onderlippen; de neusspiegel een geheel andere dan zwarte kleur;
ontkleurde slijmvliezen.
Kaken
Krachtig,
hermetisch sluitend, zonder boven- of ondervoorbijten.
Fouten: zeer
licht boven- of ondervoorbijten; het ontbreken van minstens 2 premolaren,
anders dan de P4, sluit uit van een kampioenschap, een reserve-kampioenschap of
de kwalificatie “uitmuntend”.
Diskwalificatie:
bij ernstig boven- of ondervoorbijten met contactverlies; bij het ontbreken van
beide P4’s of meer dan twee tanden anders dan P4.
Oren
Middelmatig
groot, breed aan hun basis, hoge aanzet, de basis doet aan die van het oor van
een schaap denken, altijd van nature staand gedragen, de toppen licht afgerond.
Een enigszins afwijkende oordracht wordt “getolereerd”. Lengte 10 cm, nooit meer dan 12 cm voor een reu met de maximale
schofthoogte.
Fout: te groot
oor of oor dat lijkt op dat van de Belgische herdershond, te laag aangezet of
te dicht naast elkaar geplaatst op het hoofd.
Diskwalificatie:
niet correct gedragen oor.
Ogen
Middelgroot, niet
uitpuilend, donker van kleur, licht nog verschillend van kleur. Kleur meer of
minder donker al naar gelang de kleur van de vacht (in geen geval lichter dan
hazelnootkleurig).
Fout: alles wat
niet beantwoordt aan de beschrijving.
Diskwalificatie:
ogen verschillend van kleur, schuin geplaatste ogen , niet gelijke ogen, te
lichte ogen.
Uitdrukking
De uitdrukking
mag vals noch wantrouwend zijn.
Diskwalificatie:
woeste uitdrukking of schuwe blik.
Hals
Sterk en
gespierd, van goede lengte, tijdens actie opgericht gedragen en goed vrij van
de schouders, het hoofd trots dragend.
Fout: een lange
en dunne hals, kort en grof, geforceerd uit de schouders komend, slappe
keelhuid.
Lichaam
Diepe borstkas,
zonder overdrijving; de borstkas mag niet beneden de ellebogen reiken; de
borstomtrek – vlak achter de ellebogen gemeten – moet een vijfde meer dan de
schofthoogte bedragen; de lengte van het lichaam moet iets meer zijn dan de
schofthoogte. Rechte rug, stevige lendenen; de ribben moeten daarna geleidelijk
vlakker wordend tot aan het borstbeen; de buik enigszins opgetrokken, het kruis
vloeit geleidelijk over in de bil; het skelet zichtbaar zonder overdrijving.
Fout: al naar
gelang de ernst van de afwijking. Het lichaam te vlak of te gevuld;
lichaamsbouw van een bouvier; het kruis te recht of te schuin aflopend.
Diskwalificatie:
de bovenvermelde fouten, wanneer deze te nadrukkelijk aanwezig zijn.
Staart
Vachtlengte als
op het lichaam. In rust moet de staart tot aan de sprongen reiken en recht naar
beneden hangen met een lichte kromming aan het uiteinde. In actie mag de staart
hoger worden gedragen, maar mag in geen geval over de rug geslagen worden.
Fout: een
rattestaart of een te zwaar behaarde staart, te korte, scheve of slecht
gedragen staart.
Diskwalificatie:
staart voortdurend over de rug gedragen; als gevolg van een operatieve ingreep
laag gedragen staart; een staartstomp of staartloos.
Voorhand
Lange,
schuinliggende schouders, waardoor een grote soepelheid in de beweging wordt
verkregen; gespierd, zonder logheid; de ledematen loodrecht, droge botten, zich
duidelijk aftekenende gewrichten zonder een indruk van misvorming te geven, het
polsgewricht enigszins schuin geplaatst waardoor soepelheid in de ledenmaten
wordt verkregen en het plotseling stoppen wordt vergemakkelijkt.
Fouten: te lange
schouders (als van een windhond) of te rechte schouders (als van een bouvier),
te schriele of te zware schouders die de beweging los of krachteloos maken, te
fijn of te zwaar bot, zwakke gewrichten of gewrichten die de indruk geven in de
groei gestuit te zijn, polsgewricht te recht geplaatst of te schuin waardoor de
voet te ver naar voren staat.
Diskwalificatie:
wanneer bovenvermelde fouten te nadrukkelijk aanwezig zijn.
Achterhand
Lang, goed
gespierde dijen. Het bovengedeelte tamelijk lang, een krachtig kniegewricht; de
hond mag van achteren gezien te recht, te schuin, te nauw noch te wijd in stand
zijn. Er mag geen wanverhouding bestaan tussen het kruis en de dij, het geheel
moet als het ware in een fraaie buigende lijn samenvloeien. Stevige benen, de
achterhand zonder zwakte maar met soepelheid ondersteunend, zich duidelijk
aftekenend bot zonder overdrijving. Spronggewrichten middelmatig gehoekt, te
ver uiteen, te dicht bij elkaar noch te
hoog geplaatst; een correcte hoeking van het spronggewricht is absoluut
noodzakelijk bij deze herderhond. Krachtige en droge achtermiddenvoet,
loodrecht in stand, de ledematen van alle zijden gezien goedstevig.
Fouten: al naar
gelang de ernst van de tekortkoming.
Diskwalificatie:
een , over het geheel genomen, gebrekkige achterhand.
Voeten
Afgerond en kort,
goed gesloten, gewelfd. Sterke en korte nagels die donder van kleur zijn.
Hubertusklauwen noch meertenigheid. Een hond met Hubertusklauwen word niet
gediskwalificeerd, maar minder gewaardeerd. Stevige eeltzool die een zekere
soepelheid geeft, de zool moet als een kussen een deel van de stoten opvangen.
Fout: al naar
gelang de ernst van de tekortkoming.
Diskwalificatie:
dubbele Hubertusklauw aan alle vier de ledematen.
Vacht
Ruw, halflang,
niet gekruld, niet sluik, moet tussen de vingers knisperend en ruw aanvoelen.
De lengte bedraagt 5 tot 6 cm op het gehele lichaam, de staart
ingegrepen. Beschermende, fijne en dichte ondervacht.
Fout: vacht
korter dan 4,5 cm , niet voldoende ruw aanvoelend, neiging tot
krullen of sluik.
Diskwalificatie:
vacht korter dan 4 cm of langer dan 6 cm, gekruld of erg sluik, zacht of wollig.
Vachtkleuren
Grijs,
grijs/zwart, grijs met zwarte weerschijn, grijs/blauw, grijs/rood, licht of
donker fauve of een mengeling van deze tinten. Geen grote witte vlekken; een
kleine witte borstvlek en witte teenpunten zijn toegestaan.
Fouten: een te
grote witte borstvlek; geheel witte tenen.
Diskwalificatie:
zwart, wit, arlequin (blauw gemarmerd), bont, te veel wit op de borst, geheel
witte voeten, iedere witte aftekening op andere dan bovenbeschreven plaatsen.
           
           
|